van 'Van Pipke de Bijl: vervolg'

De huizen zien er nog precies zo uit

Ik ben net terug uit Breda en moet een en ander nog even verwerken want het is erg emotioneel om weer in de straat te staan waar je vroeger gewoond en gespeeld hebt. Ook mijn zus was erg onder de indruk en nu komen er veel meer details bovendrijven. Ook blijkt dat een aantal feiten niet kloppen uit mijn vorige verhaal. (Niet heel belangrijk, hoor: de familie Sassen woonde bijvoorbeeld naast ons, dus op nummer 15. Onder ons was nummer 13 en dat is nog steeds zo.) Gek dat de huizen er nog precies zo uitzien als we ons herinnerden. De trapleuningen waren vroeger groen en daar gleden wij altijd af op een kokosmat. Mocht natuurlijk niet want je kon in het keldergat vallen: levensgevaarlijk!

Er is veel veranderd

Wat wij ons realiseren, is dat we daar in die armoedige naoorlogse tijd een hele prettige jeugd hadden. We konden buiten spelen en zelf naar school lopen toen we drie jaar oud waren, onze ouders wisten de helft van de tijd niet waar we uithingen, je kon dus ook gewoon stout zijn en niet elke stap die je deed, werd gecontroleerd.
Dat had veel te maken met de plek waar we woonden. Als ik nu zie hoe de buurt in elkaar zit, realiseer ik me dat het een veilige buurt was. Er was weinig verkeer toen maar zeker in de Roggeveenstraat was het hartstikke veilig. Net als alle andere kinderen werden wij door onze ouders zoveel mogelijk de straat 'opgeschopt'. Als het niet regende, moest je gewoon buiten spelen, dat was gezond. Nou, dat was wat ons betreft geen probleem want je speelde altijd met de hele buurt en als je niet aan het hinkelen (een leeg schoensmeerdoosje met zand gevuld schopte je van het ene vak naar het andere), touwtjespringen, tollen, knikkeren of rolschaatsen was, dan waren we wel te vinden bij de rivier of op verlaten veldjes. Ik weet niet meer wat we daar uitspookten maar het is eigenlijk onvoorstelbaar dat kinderen in deze tijd zo zouden kunnen rondschooieren.
Onze eigen kinderen mochten nooit de tuin uit of wij moesten exact weten waar ze waren en ze konden bijna nooit alleen ergens naartoe tot ze een jaar of tien waren. Er is wel erg veel veranderd. Het idee dat mijn moeder met ons mee zou lopen naar school of maandenlang naast ons zou fietsen tot ze het verantwoord vond om ons alleen te laten gaan! Je werd een keer weggebracht, nou, naar de kleuterschool misschien een paar keer, maar dan wist je het daarna zelf wel.

Ene rode kontlap

Ook mij overkwam het geregeld, net als een meneer in een van de Heuvelverhalen schreef, dat ik in mijn broek had geplast. Inderdaad moest je dan maar afwachten of je moeder wel thuis was en zo niet, waar haalde je dan een schone onderbroek vandaan? Tegenwoordig hebben ze op school voor dergelijke ongelukjes natuurlijk reserveondergoed liggen. Idioot eigenlijk: drieŽnvijftig kinderen in een klas. Met drie jaar mocht je al naar de frŲbelschool. zo'n klas bestond dus uit drie- en vierjarigen en geen enkele schone onderbroek! Als meisje had je altijd koude beentjes want een lange broek naar school mocht niet. Dus een trainingsbroek onder je rok en die hing je dan aan de kapstok bij je jas. Op straat liep je echt voor gek (vond je zelf want ook kleuters zijn al ijdel) dus ook daar trok je die stomme trainingsbroek niet altijd aan. Er zullen wel meer meisjes zijn die zich herinneren dat een wollen onderbroek over je katoenen broekje heen ook een optie was. Je benen werden dan nog wel blauw van de kou maar je kreeg dan volgens je moeder tenminste geen blaasontsteking. Die wollen broeken werden natuurlijk gebreid door onze oma's die in die tijd allemaal fantastisch breien konden. Mijn rode wollen onderbroekjes gaven wel af als je in je broek plaste! Op z'n Brabants heette het: "Gij het ene rode kontlap oan!" als je ondersteboven aan een van de vele ijzeren gymrekjes hing die hier en daar in de buurt te vinden waren.

Meertalig

Plat Breda's kan ik niet meer praten maar ik heb wel het gevoel dat ik het zo weer op zou pakken. We waren eigenlijk tweetalig in het Heuvelkwartier. Op straat bezigden we een totaal ander idioom dan thuis, waar we ABN spraken. Vloeken en vieze woorden werden met zeep uit je mond gewassen, nota bene door onze vader die zelf militair was en in de kazerne toch ook wel eens gevloekt zal hebben. Officieren mochten dat officieel niet maar mijn vader omzeilde dat door in het Amerikaans te vloeken. Hij was een half jaar van huis toen we in de Roggeveenstraat woonden, op cursus in Alabama, en daar had hij het een en ander aan Amerikaans vloeken geleerd. Mijn moeder ging in die periode met ons naar haar ouders in Engeland, waar wij naar een Engels dorpsschooltje moesten. Weer terug op de Bernadetteschool wilden de kinderen dat we eens wat zouden zeggen in het Engels maar dat vond je dan stom en het Engels waren we dus in 'no time' weer verleerd.
Ook wilden we de Amerikaanse kleren die mijn vader voor ons meebracht, niet naar school aan want dan werd je misschien uitgelachen. Wat dat betreft zijn kinderen nu niet veel anders. Wij hadden niet veel kleren en zeker geen 'merken', maar je wou niet uit de toon vallen met Amerikaanse spijkerbroeken en jasjes die hier nog helemaal geen mode waren. Ook de zelfgemaakte kleren van onze moeder en van oma, die echt super waren, werden door ons maar matig gewaardeerd en van de mooie loden jas met geruite flanellen voering herinner ik me dat ik die voor school uittrok en nonchalant over m'n arm hing, net of ik het stikheet had terwijl ik in werkelijkheid haast bevroor. Die jas moest je dan drie winters lang aan en daarna mocht mijn zusje er ook nog zeker twee winters in lopen. Niet kapot te krijgen die kleren van vroeger!

Een buitenstaander

Ik vind wel dat mijn herinneringen te veel over mezelf gaan, maar ja, wij hoorden eigenlijk niet echt ergens bij. Altijd te kort op een bepaalde school. In Breda hebben we het langst gewoond van onze hele kindertijd dus de meeste herinneringen liggen wel in het Heuvelkwartier. Het probleem van mijn zus en mij is dat we ons nooit ergens goed hebben kunnen hechten. Die lange periode in Breda werd twee keer onderbroken door een periode van een half jaar in Engeland, dus in totaal zat ik niet langer dan vijf jaar in Breda op school en ik was veel ziek thuis, wat ik niet echt erg vond want ik handwerkte en las graag en vermaakte me wel. Bovendien werd je ook wel verwend als je ziek was, vooral met aandacht! Als ik ziek was, mocht ik in de woonkamer op de bank bij de kachel liggen en als ik dan op mijn moeders naaimand klom, kon ik door de hoge kleine raampjes aan de voorkant van het huis naar buiten kijken, naar alles wat er op straat gebeurde en dat was veel! De schillenboer, groenteboer, olieboer, kolenboer, melkboer (geen van allen boeren maar toch heetten ze zo), de melkman met losse melk die nog gekookt moest worden, de loopjongen van de kruidenier die met een boekje de trap opkwam, waar moeder de boodschappen in schreef die dan later die dag weer gebracht werden, de slagersjongen idem dito, de wasserij die de lakens, slopen, thee- en handdoeken kwam halen en weer terugbrengen, etc., etc. Over de was, de inmaak, de schoonmaak en dergelijke zal ik nu maar niet beginnen want dan komt er geen eind aan dit verhaal.

'Luxe'

Aan de andere verhalen zie ik wel dat wij het vrij luxe hadden thuis want wij waren maar met vier personen in een vijfkamerflat. Wel heeft de vader van mijn moeder een half jaar bij ons in huis gewoond nadat zijn vrouw plotseling was overleden. Omdat er op de slaapkamers geen verwarming was, zat opa de hele dag in de woonkamer en bemoeide zich overal mee. Dat werd mijn vader te veel en we hebben opa toen naar een rusthuis gebracht in Den Haag omdat wij daar ook naartoe gingen verhuizen. Opa kreeg daar weer 'verkering' en trouwde binnen een jaar met een vrouw waar hij nog tien jaar gelukkig mee is geweest. Uit dank voor de goede verzorging en verpleging bij ons thuis kocht opa toen voor mijn moeder een trapnaaimachine en voor mijn zusje en mij elk een nieuwe fiets. Ik had dus op mijn zevende een spiksplinternieuwe fiets! Niet dat ik ermee naar school mocht, maar toch... Toen ik vijf was, kwam er een wastafel in een van de slaapkamers en vanaf mijn zevende was er een geiser in de keuken zodat mijn moeder ons badwater niet meer op het gas hoefde te koken. Wij gingen ook in de keuken in een zinken teil maar met z'n tweeŽn is minder erg dan met z'n tienen, zoals ik in een van de verhalen las.
Wat ik me ook herinner: de wandkoffiemolen die je met punten van De Gruyter bij elkaar kon sparen. Die hebben we nog heel lang bewaard maar helaas toch weggedaan. 'Arretje Nof'-zegeltjes. Was dat niet van Calvť? En 'Boffie Koffie', waar was dat van? De Gruyter of Albert Heijn? Gek eigenlijk, zoveel concurrenten naast elkaar in ťťn winkelrijtje maar ik geloof dat De Gruyter voor de katholieken was en Albert Heijn voor alle anderen? Wij kochten overal maar dat was, geloof ik, niet gebruikelijk. Tot zover!

Het is nu anders

We vonden het leuk dat ons huis er nog stond. De patatzaak in de Oranjeboomstraat is er ook nog, alleen is het pand natuurlijk wel iets veranderd. We maakten er een foto van en de eigenaar kwam meteen naar buiten om te vragen waarom we een foto maakten. Daar zie je aan dat de tijden veranderd zijn. Mensen houden alles goed in de gaten. Enfin, wij legden uit dat we vroeger daar patat haalden en ons afvroegen of zijn zaak nou op precies dezelfde plek stond. Dat bleek zo te zijn. Vroeger was er ook een bushalte en de straat was geplaveid met 'kinderkopjes'. Ook de 'sigarenboer' is er nog, dat wil zeggen het pandje waar de winkel inzat. Wel gek dat alle winkels in de buurt leeg zijn. Waar nu auto's staan in de Roggeveenstraat, waren vroeger grasvelden waar we overigens nžet op mochten spelen.

Adrienne Maclaine Pont - Bijl de Vroe, maart 2006