Heuvelflarden 10

Door: John Schouten

Heitje voor een karweitje

In februari 1953 was er de watersnood in Zeeland. Maar volgens mij had de familie de Roos, die uit Klundert kwam, daar ook onder te lijden gehad. In Klundert en Dinteloord, de westhoek van Brabant, zeiden de ouderen tegen ons, waren de mensen niet verdronken, maar hadden wel meer dan natte voeten gehad. Met Leo de Roos, ze hadden een schoenenzaak op het Mgr. Nolensplein, was ik in die tijd "dikke" maatjes. We waren beiden op de Pius XII troep van de verkennerij, tegenwoordig heet dat scouting, in het Heuvelkwartier. Begin april was er vanuit de verkenners altijd de actie "Heitje voor een karweitje". Dat betekende dat je als verkenner in jouw buurt allerlei karweitjes ging opknappen voor een kwartje (heitje) per karwei. Dat was dan om de kas van de verkennertroep te spekken. Mijn hemel; onze buurvrouw Rina Nooijen had, zo leek het toch, alle schoenen van de hele buurt opgehaald.
Ik moest die dan, onder het toeziende oog van alle luierenden, mij met leedvermaak aankijkende, familieleden in hun keuken poetsen voor één kwartje. Daar was ik gauw van genezen. Ik reisde met Leo de Roos naar restaurant Mirabelle en daar leverde het poetsen van één fiets een hele gulden op. Hotel Boschhek en de daar achtergelegen woningen, richting Prinsenplassen, waren goed voor dezelfde of nog hogere bedragen. Leo en ik waren altijd diegenen die met het "Heitje voor een karweitje." het meeste verdienden. Aan het eind van deze driedaagse actie werden wij dan beloond met een cadeau.

Watersnood

Ik heb regelmatig een verjaardagfeestje bij de Leo de Roos thuis mogen meevieren. Je vond dat al heel apart want beneden in hun huis hadden ze de winkel en daarboven woonden ze. Je moest de trap op om in de woonkamer te komen en dat waren wij niet gewend. Gelijkvloers achter de winkel lag de schoenmakerij waar de broer van Leo de scepter zwaaide. Daar stond in de hoek zo'n prachtig zwart rijmonster; een BMW. Ik zie die broer nog helemaal naar Duitsland komen. Wij waren daar met de verkennerij op zomerkamp om de BMW-fabrieken, waar zijn motor vandaan kwam, te bezoeken. Ik leerde toen ook dat BMW wilde zeggen: Bayrische Motoren Werken. Wat mij altijd is bijgebleven, is dat kort na de watersnood er op een bijzondere manier geld werd ingezameld. Dat ging niet zo maar met een collectebus. Neen, ik weet nog dat er bij "Den Erpel", zo noemde we groenteboer Oomen, op de hoek van de Columbusstraat en de Willem Barendszstraat een volkswagenbusje werd geparkeerd. Aan de achterzijde van dat busje was een klein filmdoek gespannen. Van binnenuit het busje werd er een film over de watersnood op het scherm geprojecteerd, zodat iedereen kon zien wat er daar was gebeurd. Wat een verschrikkelijk lot dat mensen hadden ondergaan, wat een ellende. Je zag het zo voor je gebeuren. Er werd gul gegeven toen na afloop van de voorstelling er met collectebussen werd rond gegaan.

Kappersbezoek

Je had ook twee kappers in de buurt . Kapper Sneller in de Houtmanstraat en kapper van Dijk in de Willem Barendszstraat. Kapper Sneller zei nooit zo veel en bij van Dijk die een knecht in dienst had op woensdagmiddag schoot het knippen toch altijd beter op. "Goed kort" was steeds het devies dat we aan de kapper moesten overbrengen. Bebop was "in" in die tijd. Met een gemillimeterde haarsnit waren je hersens soms onderkoeld als je weer thuis aankwam. En had de kapper het niet goed kort geknipt dan kon je terug om alsnog een lagere haarstand te bekomen. Kapper van Dijk en zijn knecht brachten je altijd in verlegenheid. Ze vroegen aan je als je onder de kapmantel zat "Slapen je vader en moeder nog bij elkaar ?". Nou dan wist je wel waar ze het over hadden. Lachend over jouw onwennigheid keken ze elkaar dan aan, waarna de vraag nog maar eens gesteld werd. Blij dat het knippen en het bevraag gedaan was, vloog je dan naar buiten terwijl zij beiden je lachend nakeken.

De Amstelhoek

Toen we wat ouder werden, gingen we al wel eens naar het café "de Amstelhoek" op het Mgr. Nolensplein. Een glaasje cola met daarin een rode martini en soms ook wel een Amstelglas waren onze voorzichtige schreden op het pad van Lucas Bols & Zn. en al wat nog moest komen. De emancipatie van vrouwen liep nog behoorlijk achterop want het waren enkel mannen die in het café kwamen. In de Amstelhoek kwamen de gasten van voor en achter de kerk dan bijeen. Je luisterde naar hun anekdoten. Piet Vet uit de Houtmanstraat gaf meestal een rondje aan iedereen, maar als er niemand iets terug gaf zei hij steevast: "Van mij zullen ze geen gaten meer in de grond plassen". Tony Berendsen uit de Limburg van Stirumstraat was stukadoorbaas en naar zijn zeggen rijk. Maar ik moet er ook dag en nacht voor werken zei hij. Als ik de wekker opdraai, loopt hij in mijn handen af. Geen tijd om zijn geld op te maken dus gewoon rijk. De mannen van de Graauw discussieerden over hun duiven en de prijzen die ze er mee dachten te gaan winnen. De twee gebroeders Govers uit de Flierstraat zaten er ook altijd en dan "Den Brom", een grof uit de kluiten gewassen heerschap met handen als kolenschoppen. We noemden hem Den Brom omdat hij er uitzag als een Brombeer en minstens zo sterk was. Als er al eens een vervelende klant tegen ons begon te klieren, zei hij: "Wie aan de Schoutjes komt, komt aan mij". en daarmee was het pleit beslecht. Geschrokken verontschuldigde die vervelende klant zich dan en met een rondje voor Den Brom en voor ons werd het goed gemaakt.

Apotheek

Op het achterste gedeelte van de Heuvelbrink was de apotheker. Wezenbrink heette de man dacht ik en wij zagen hem voor een echte gifmenger aan. Zijn ronde op een Edammer gelijkende bol was bruin van tint waarop een zware, van dikke glazen voorziene , hoornen bril prijkte. De apotheker had ook een medicijnenbezorgster in dienst; Loetje Knol, dat was niet haar echte naam maar wij noemde haar zo. Een klein vrouwmens dat op een soort Solex rond toerde alsof ze dat rij-ijzer zelf had uitgevonden en zo de medicijnen thuis bezorgde. Ze kreeg ook nog verkering met een roodharige man, wiens gezicht van dezelfde kleur werd als hij naast haar fietste en zich het snot voor de ogen trapte om te proberen haar bij te houden.
De anderen, in dienst van de apotheker zijnde dienstmaagden, waren apothekersassistenten. Wanneer er nachtdienst of zondagsdienst gedraaid moest worden, bleven deze dames in het apothekershuis slapen. Een huis van alchemie, vol bijzondere stoffen, die er door de moderne kruidenvrouwtjes werden bewerkt om de buurtbewoners onder leiding van de doktoren Hermans en Ehlich en later Termeulen te genezen of gezond te houden. Het was blijkbaar ook een gezonde buurt!! Het waren toen nog niet allemaal van die door de farmaceutische industrie voorverpakte medicijnen. Neen, de apotheker draaide de pillen en de poeders nog zelf en je kon het recept later op de dag af komen halen. Het interesseerde mij in hoge mate hoe en wat die man daar brouwde, maar smaken deed het van geen kanten. Je bleef soms nog liever een dag langer ziek dan zijn drankje in te moeten nemen. Maar het verlangen om met je vrienden buiten te spelen, kreeg toch de overhand en met je neus dicht geknepen werd het apothekersvergif ingenomen. Een eindje verder op de Heuvelbrink woonde Geurts, die als chef van een laboratorium op de Kunstzijde werkte. Hij wist ook veel af van "mengen en roeren", het eerste scheikundeboek, dat ik gebruikte om door te dringen in de elementaire delen van de stoffen. Ongebluste kalk in een ijzeren melkkan en daarop water gegoten, gaf acetyleengas dat, als je het ontstak door een brandende lucifer in het gat in de bodem van de kan te steken, dan een geweldige knal veroorzaakte. Katalysatoren hadden bij mij toen al een bijzonder aandacht.

Bewerking: Ria Veltman, d.d.: 06-02-2005