Heuvelflarden 12

Door: John Schouten

Buitenschoolse activiteiten

Het Dr. Struyckenplein en de straten richting Oranjeboomstraat met op de hoek het café van Mop Simons trokken ons nog altijd, omdat we op de onze Lieve Vrouwe kleuterschool bij Pastoorke Dekkers hadden gezeten. Het hoofd van de kleuterschool was daar Soeur Lodefika, waarvan je enkel haar gezicht kon waarnemen omdat ze nog met een bezwaai van een grote kap op haar hoofd rondliep. Je moest recht voor haar gaan staan en je blik omhoog werpen om te zien dat er in die kap een gezicht stak. De laatste dag voor de grote vakantie moesten we onder leiding van Soeur Lodefika allemaal op de koer komen en doen zoals thuis de vis in moeders pan . . . ssssstsssstsssst. Zo legde ze de hele school babbelende kleuters keurig het zwijgen op. Daarna moesten we op haar bevel en onder het strenge toeziende oog van Soeur Superieur, waarvan je voor straf ook altijd muizentanden moest vlechten , alle prulletjes en papiertjes van de koer oprapen en in "De Poubelle" steken.

Het Hek

De foto van het Hek op het Dr. Struyckenplein geeft mij beelden dat wij met drie, vier of vijf jongens in die boom, die binnen het Hek stond, klommen. De treurnis daarom heen, de dood van boer de Lange, waren we vergeten en wij zaten als levende vruchten tussen het gebladerte van deze boom. Je kon zo de zaken van het winkelcentrum" "Mia Vennings, Segers, de Bredase Brandstoffenhandel, groentewinkel Beekers, enz.", zien. Je moest wel elke keer over het hek klimmen en dat was voorzien van spijlen met daarop echte oerwoudspeerpunten. Bij het erover klimmen ben ik eens gespietst door zo'n speerpunt en het litteken van ongeveer vier à vijf cm. lengte is nog steeds zichtbaar. Ik hing met de binnenkant van mijn bovenbeen op die punt en die zat er helemaal in. Het was een hele toer om hangend op dat hek met die punt in mijn been recht omhoog er af te komen, want anders rijtte die punt het been waarschijnlijk nog verder open. Met de nodige hulp van mijn boomgenoten, ik denk Cor Willemsen, Jef de Kroon en twee broers van mij, lukte het toch om van die speerpunt af te komen. De wond bloedde nauwelijks maar je kon zo de klieren zien zitten.

Dokter van de Boezem

Om dat het na enige tijd toch wel pijnlijk voelde, zijn we naar de dichtstbijzijnde wonende arts Dr. Van de Boezem aan het eind van de Laan van Metersem gegaan. Met wat ijzeren krammetjes werd de wond toegeknepen, een stevige antistraatvuil spuit werd in je bil gespoten en hopla we konden weer verder. Ook al waren we geen patiënt van dr. Van der Boezem, we kenden hem wel, omdat mijn grootouders wel bij hem klant waren. Hij had een zoon die wat hakkelde (tegenwoordig heet dat stotteren) en als de dokter met zijn grote amerikaanse slee op huisbezoek ging, belden wij bij zijn huis aan. Wanneer de zoon dan open deed, vroegen we of de dokter thuis was en tegelijkertijd draaiden we aan een knoop van onze jas. Daardoor zo zeiden de Vetjes, zou de jongen nog meer hakkelen en jawel hoor, hij kwam niet meer uit zijn woorden. Maar hoe meer deze jongen over zijn woorden viel, hoe onwenniger we werden en hoe meer en meer opgelaten we ons begonnen te voelen. We hebben het maar één keer gedaan.

Princenhage, de rand van het Heuvelkwartier

Voorbij Dr. Van der Boezem stond aan de Heuvelstraat in een piepklein parkje een gedenknaald. We speelden daar veel maar waren niet geïnteresseerd in wat er op deze gedenknaald stond. Op oude tekeningen zie ik dat de gedenknaald vroeger op de Markt in Princenhage stond opgesteld. Helemaal aan de andere kant voorbij de Heuvelstraat lagen in de Mastbosstraat de garages van de BBA. Vader Roovers, uit de Hudsonstraat, werkte daar als chefmonteur en gezien het zwart van de olie en het smeer op zijn werkkledij en op zijn handen en gezicht hadden de autobussen flink wat onderhoud nodig om rijdende te worden gehouden. Wij speelden daar bij die garages wel eens maar het leukst vonden we wel de nieuwerwetse "Carwash" voor de autobussen. Ze reden er onder, werden besproeid en gewassen en gekamd konden ze dan het Bredase publiek weer schoon vervoeren. Aan deze kant van de Heuvelstraat had je ook Van de Wijngaard een zaak in tv-toestellen etc. Vlak daarvoor lag café "De Toekomst" maar zoals je aan de gasten van het café al zag, hadden deze mensen niet zo'n beste toekomst. Van de Goorberg, de fietsenmaker, woonde op de andere hoek van de Heuvelstraat aan de Van de Spiegelstraat en daar woonde ook Maurice en Phil van Overbeek, hun vader was hoofdonderwijzer op de school in Princenhage, twee stoute rakkers waar wij het graag mee van doen hadden.
Princenhage . . . . .,Princenhage. . . . , alsof het een ver oord was, hoorde je de klokken van de St. Martinuskerk roepen als zij 's zondagsmorgens hun gebengel over het Heuvelkwartier uitstrooiden. Je kon de Martinustoren zien als we op het dak van ons huis kropen. Daar moesten we zijn, want samen met Ad van Koolwijk hadden we enkele radio-ontvangers ineengeknutseld en voor een goed bereik van de BBC en "Radio Luxemburg" met de onverwoestbare zangeres Helen Shapiro moest er een antenne op het dak worden geplaatst. Door het dakraam naar buiten, over de pannen naar de nok kruipend en zo tussen de twee schouwen van ons huis en de buurman werd dan een draadantenne vastgemaakt. Je zag ook dat op de dakpannen van het huis het fabrieksmerk stond: TUCA uit Turnhout en dat leek ook hééél ver weg. Later ontdekte ik dat deze dakpannenfabriek eigendom was van Charles Stulenmeier, op de Kunstzijdefabriek waar hij ook eigenaar van was familiair "Sjareltje" werd genoemd, geleid werd door een broer van Charles Stulenmeier. De brug over de Mark daar is als eerbetoon aan deze Bredase industrieel naar Charles Stulenmeier vernoed.

De Schillenboer

In de Talmastraat woonde ook de Schillenboer, een lange magere man die met zijn zoon de in bakken opgespaarde schillen, aan huis kwam ophalen en ze aan de boeren als varkensvoer verkocht. Altijd in voor een praatje en later toen hij gemotoriseerd zijn werk verrichtte ook de nodige uitleg aan ons verschafte over de aandrijving van zijn buitengewoon driewielig vehikel. Er zat ook een zilveren rijksdaalder in de kop van de claxon, wat ons deed vermoeden dat hij wel "stinkend" rijk moest zijn. Wij deden hem wel concurrentie aan door eikels bijeen te vergaren en deze te verkopen aan een opkoper. Dit was het winkeltje in de Oranjeboomstraat tegenover de kerk, die voor elke kilogram een behoorlijke prijs betaalde.

Bewerking: Ria Veltman, d.d.: 15-02-2005