Heuvel-flarden 3

Door: John schouten


Sint Clemensschool

Mijn broers Ton, Ger Arno, Frans en ik bezochten de St. Clemensschool. Net zoals mijn vrienden Al(bert) en Hen(ny) Vet, de buurjongens Jan en Wiekie Nooyen, de Rijnders, de Besjes, Kees (bijnaam la Sourie; dit is Frans voor ("de Muis") en Henk (Jot) Volders, Henk Stolwerk, Cock (Cor) Nuiten, de.....ga zo maar voort. En niet te vergeten mijn vriend Ad van Koolwijk.

Jongensschool

Het was een jongensschool waar de broeders van Huijbergen onder leiding van ons aller broeder Paolo de scepter zwaaiden. In een krantenbericht las ik dat hij in 2003 is overleden, temidden van de nog resterende broeders van Huijbergen. Helaas zorgen de broeders niet voor nageslacht. Mijn zussen, de buurmeisjes Wieske en Ria Nooyen, Jopie Martens, Nelleke en Rietje van Oers, José Nuiten en alle andere meisjes uit de buurt zaten op de St. Agnesschool. Op de Clemensschool had je meneer Roelands, die een uitstekende partij voetbal leverde in voetbalclub de Baronie. Dan had je Jongenelen, die blijkbaar ook in de Baronie voetbalde, maar van een duidelijk mindere klasse was, ook als onderwijzer en dan de Roelands. En meneer van Stiphout, die altijd zijn brandende pijp op jouw tiest (hoofd) uitklopte als je in zijn buurt kwam. Wij hadden broeder Bernardinus in de eerste klas daar mocht ik van praten in de klas als ik een dubbeltje aan hem betaalde. De oplichter!!!! Ik deed dat maar ik mocht niet met de andere jongens praten en om in je eentje een eindeloze monoloog aan te vangen en vol te houden was natuurlijk ook geen avontuur. Dus na een kwartier gaf ik het op, maar mijn geld kreeg ik niet terug.

Meneer Thomas

En in de tweede klas was het meester Thomas. Een lange brillende vrijgezel die we de Juin noemde. Dat moest je trouwens niet openlijk doen want dan was je de pineut. Een flinke straf en tikken met de lat waren het minste wat je dan kon overkomen. Dus meestal lagen wij verdekt in het hoge gras opgesteld om eens hartgrondig Juin, Juin, Juin... te roepen. Loerend keek Thomas dan rond of hij niet kon ontdekken wie die Juin naar hem smeet en om die kwaadbek te straffen. Dat lukte hem nooit. Gelukkig maar voor onze billen en onze hoofden. Maar vertellen dat hij kon.Daarmee hield hij ons koest. Wanneer we ons inhielden in zijn klas. Wat je trouwens toch wel deed, want anders zwaaide hij met de lat tegen je oren. Hij beloofde ons in het begin van de dag dat hij aan het einde van de dag zou voorlezen (vertellen) als we ons als voorbeeldige leerlingen zouden gedragen. Hij vertelde over het Bosduiveltje, waarbij hij zelf zowat in dat enge mannetje veranderde als hij aan het vertellen was. Hij krijste als de Opperduivel, gilde de klas en de halve school bijeen. De onderwijzer van de naastliggende klas is nog eens komen kijken, wat er allemaal aan de hand was. Zonder schroom gilde en vertelde hij verder. Je zat zelf stijf in je stoel van het verhaal. Van het gegil van deze waarlijk in een Opperduivel veranderde onderwijzer, die al zijn agressie welke hij bij ons opliep in zijn verhaal stopte. Mijn god wat was dat spannend. Je was soms blij dat de 4-urenbel ging en je de klas mocht verlaten om buiten nog eens goed naar adem te snakken.

De grote Poort

Wij bezochten die school, want de school was een onderbreking van het avontuurlijke leven dat we in het Heuvelkwartier hadden. Het begon al als je 's morgens vroeg opstond om naar de mis te gaan. Zelfs op het vroege ochtenduur riep het avontuur. De Vetjes en Ad van Koolwijk stonden al in de Poort. De Poort is de benaming voor de brand- en wandelgangen welke tussen de woningen gelegen zijn. Je had ook de grote Poort. De ene grote Poort lag bij van Oers en liep zo door naar de Olivier van Noortstraat. Daar woonde ook de familie Paulussen met vele aardige in onze ogen, schone dames. En de familie van Hoek, rechtstreeks uit Indonesië, woonde daar ook. Pracht mensen. De andere grote Poort lag bij De Schel, ook wel de Kluit genoemd. Dat was de bijnaam voor visboer Sweres. Daar hing ook een bord in de winkel waarop prijkte: "Bent U tevreden zeg, het anderen. Heeft U klachten zeg het ons". Wij lachten ons een breuk, want er waren nogal klachten. De vis bleef meestal lang in de vitrine liggen en keek je met steeds meewarrerige ogen aan. De mensen aten toen enkel op vrijdag vis. Je mocht dan van de paus op vrijdag geen vlees eten. Wel vis. Dat was natuurlijk om de visboer te ondersteunen. De gebakken schol was in onze straat op vrijdag dan ook niet van de lucht. Maar ook de kolenboer Jantje Korebrits had een leuke spreuk op zijn kolenzakjes staan: "Wees verstandig en altijd kalm. Neem het neusje van de zalm. Korebrits kolen in uw huis, houdt het vrij van stof en gruis".

Nieuwe plannen maken

De grote Poort was ons verzamelplek. Je kwam er bij elkaar om de zaken en de avonturen door te spreken. Om nieuwe avontuurlijke planningen te maken en om met de nodige opwinding en verlegenheid met de meisjes uit de buurt samen te komen. Trees Vermonden, Jopie Zwanenburg, Bep Netten, Marianne Schrantée, Ton van de Berg, Jopie Martens, Rietje van Oers, Tinneke van Tellingen, Agnes Dollee, Greetje Lohmans etc. Ook zaten we bij de visboer op de raamkozijnen. Hangplekken voor jongeren zouden ze dat nu noemen. Niemand stoorde zich er aan. We kregen volop de ruimte. Ook al gooiden we bij de visboer soms menig rotje en papiesiester over de schutting. In het ergste geval werden je ouders verwittigd en kreeg je een pedagogische tik of een standje en dan was het weer voor geruime tijd gedaan. De grote Poort was ook de plaats waar we als buurtjongens knokten tegen de gasten uit het Westeinde en de gasten uit de Tonnekensbuurt. Op onze tochten naar de suikerfabriek kwamen we door het Westeinde en daar begon het territorium gedoe. We moesten ons een weg banen door de straten met riviernamen en rennen, rennen.. Dan riepen we kom maar op". En een enkele keer kwam dan een groep naar het Heuvelkwartier, naar de grote Poort. De uitslag was meestal - na wat blauwe ogen en bloedneuzen - onbeslist. De mannen uit de Tonnenkesbuurt hadden we op onze hielen als we naar het Peerdenbosch gingen of naar Trippelenberg. Ook zij dulden ons als nieuwkomers niet in hun gebied. Wij kregen langzamerhand in aantal de overhand en dat deed de zaak onze kant uit kantelen. De numerieke meerderheid van de Heuvelkwartierjongens deed ons gerust gelaten worden.

Petoeten

Maar we hadden het over het avontuur. We gingen niet naar de mis op het vroege ochtenduur. Een van ons wel. Die moest gaan zien wie de mis deed en wat voor soort kazuifel de priester aan. Want om te controleren of je wel naar de mis was geweest werd daar thuis naar gevraagd. De rest spoedde zich rechtstreeks naar de St. Agnesschool. Daar stonden op de speelplaats houten barakken welke als toilet in gebruik waren. Daar konden binnen bovenop de tussenschotten zitten en begonnen dan te kaarten. Petoeten. Tot een schoen van zijn voet van mijn broer viel... in het toilet. Die verdween en toen hij hem wilde pakken, verdween die schoen helemaal in de toiletpot. Ik kan me nog herinneren dat ik tot mijn schouder in de toiletpot verdween en allerlei associaties had over kakkende nonnen tot ik de schoen gelukkig te pakken kreeg en naar boven viste.

Frederik Kastelein

We speelden ook gevaarlijk spelletjes bij de Mark (AA) en bij de Bieloop. Later begreep ik dat de benaming Bieloop, voor het riviertje de Turfvaart, komt van bij-loop van de Mark. Bij de Bieloop lag een betonnen bruggetje. Als het gevroren had, kon je op het ijs onder het brugdek doorkruipen. Gevaarlijk was dat wel want het was nogal flink stromend water en het ijs was niet altijd betrouwbaar. Je had daar ook Frederik Kastelein, die volgens mij in de Fagelstraat woonde. Hij woonde daar met zijn moeder. Een struise na-oorlogse vrouw, die in een opera van Verdi niet misstaan zou hebben. Frederik Kastelein was een heerschap van stand zou je, in vergelijking met Olivier B. Bommel, kunnen zeggen. Hij was groot en veel te aardig om stoute dingen te doen. Maar ja, hij wilde toch ook op goede voet staan met de jongens uit de Houtmanstraat. Dus deed hij mee aan de gevaarlijke toeren die we uithaalden. Iemand was naar zijn huis gelopen en had zijn moeder gewaarschuwd van het gevaar dat dreigde voor Frederik. Het mens kwam aan, kroop zelf, tot ons aller verbazing, op handen en voeten op het ijs en riep onder het brugdek dat Frederik onmiddellijk daar onderuit moest komen. Frederik kwam naar de wal en begon zoals in een opera- sprookje, dichtend zijn moeder te antwoorden. Met zijn armen in de lucht zwaaiend, verklaarde hij in dichtvorm en luid articulerend zich tot haar held. Wij, de toeschouwers, waren onder de indruk van deze privé voorstelling. Gearmd verdwenen moeder en zoon langs de volkstuintjes huiswaarts.

Bewerkt door: Ria Veltman