Heuvelflarden 5

De Jacob Edelstraat

Aan de Jacob Edelstraat woonde tandarts 't Hof. In de aanvang van zijn praktijk was hij een smal en fragiel ogend mannetje met een heel zachte stem. Die zachte stem had wel iets hypnotiserend. Misschien dat ik daarom vele jaren later ook nog de opleiding hypnotherapeut heb gevolgd. Ik had toen al gelezen dat er tandartsen waren die je onder hypnose konden behandelen. Dat hielp een spuit in je gehemelte uit te sparen en … je voelde er niets van. Dat was een voordeel want je lip hing anders wel tweemeter scheef naar beneden en raakte zowat je broeksriem. Althans zo'n gevoel leverde dat toch altijd op. Maar niets van dat alles. Hij heeft ons - mij en mijn broers - slechts een spuit mogen toedienen. Daarna moest hij onze tanden en kiezen zonder verdoving trekken. Hij schrok er zelf van als wij met dat voorstel kwamen. Sleuren dat die man moest om de kies eruit te krijgen. Je werd zowat uit je stoel getrokken en door het naarstig van geen opsmuk voorzien vertrek getrokken. Later had hij een behoorlijke omvang en was altijd in voor een praatje maar de verstandskies moest toch met een spuit getrokken worden. "Daar begin ik zo niet meer aan"
sprak gebittensaneerder 't Hof.

De Puffer

Tegen over de praktijk van de tandarts aan de Jacob Edelstraat lag een braak liggend veldje vol hobbels en kuilen en gangetjes. Je kon je er goed verschansen en de meidenschool lag er in de buurt. Een waar lustoord voor ons "knaapjes". Vanuit ons Fort konden we iedereen en alles in de gaten houden. Een eindje verderop woonde boer Jan van Gils, die wij "knaapjes"op zijn bijzondere avontuurlijke tochten bespioneerden. En Sieke met den Hof woonde daar ook. Heerlijke appelen had dat oude mensje, maar sluipend als een gerenommeerde heks overviel ze je stiekem en dan was je door haar gescheld nog niet zalig. Dus opletten, uitkijken en rennen, was het devies. Menig keer hebben we moeten vluchten waarbij ik als laatste altijd aan Henny Vet zijn jas trok, zodat hij achter mij terecht kwam en in de handen van Sieke of andere achtervolgers viel. Wat schold Henny dan toch op mij. Maar ja in oorlog en liefde is alles …. Maar meestal waren wij de eigenaren van de bedreigde appelboomsoort te vlug af. Je was immers niet voor niets bij de verkennerij. Nog wel bij de Pius XII troep. En was het niet Lord Baden Powel die het scouten invoerde. En had ik niet met de Valkenpatrouille een behoorlijke prijs gehaald op de nationale patrouille kampioenschappen met Henk Martens, Leo Gladines, Leo de Roos, Jan Jansen, Jan Morre en Berry van Geel.
Maar terug naar het veldje aan de Jacob Edelstraat. Achter Jan van Gils aan de Talmastraat woonde "de Puffer". Zij deden in oud papier en dergelijke. Vader en moeder met hun mentaal gehandicapte zoon. Zij hadden een paard en wagen. Daarmee vervoerden ze tegen betaling allerhande goederen van de mensen. Verhuizingen vooral. Dat koste in die tijd fl. 2,50 per verhuizing. Mijn tante liet de Puffer haar verhuizing doen; helemaal naar de Zandbergweg. Wij rennend daarmee heen en helpen lossen. Nadien op de wagen mee terug naar het Heuvelkwartier. Maar bij café de Oranjeboom in de Oranjeboomstraat werd op de terugweg halt gehouden en door vader en zoon aangegaan om de dorst, die blijkbaar bij het verhuizen hoort, te lessen. En wel met het bier van het lachende paard van de Drie Hoefijzers. Omdat het paard ook wat dorstig uit zijn ogen keek, werd het net als in de Lucky Luke verhalen ook van bier voorzien. Vanaf het café de Oranjeboom ging het dan huiswaarts aan. Dat ging niet zonder horten of stoten. Het paard reed in beschonken toestand met op de bok de koetsiers in soortgelijke staat over het braak liggend veldje. Jongens een pak ransel deed minder zeer dan wat wij op de wagen allemaal voelden en moesten doorstaan toen we doorheen gebutst werden.

Leven en over-lijden

Op dat veldje werd later een noodschool voor de meisjes gebouwd. Het was een houten keet met twee klaslokalen. Op een kwade dag - het stormde flink - stortte het dak in. Veel meisjes raakte gewond en een meisje werd gedood. Haar achternaam was Verhees.
Het raakte ons behoorlijk. Een leeftijdgenoot die dood was…. niet meer leefde. Bij haar witte begrafenis waren we allemaal aanwezig. Ze was een engeltje geworden, werd ons verteld. Later hoorde ik dat als het hard waaide al de meisjes in het schoollokaal in paniek naar buiten renden. Niemand durfde daar nog - ook niet toen het gerepareerd was - in te blijven zitten. Haar dood shockeerde mij in hoge mate. De dood deed in mijn jonge leven zijn intrede. Dat was ook zo bij het overlijden van John Beljaarts. Die woonde in de flat aan de Jacob Edelstraat (of is het Oranjeboomstraat) waar vroeger boer Nuiten zijn boerderij stond. Al en Hen Vet en Ad van Koolwijk zeiden tegen mij: "kom we gaan afscheid nemen van John Beljaarts". John lag thuis opgebaard. We werden door zijn moeder - een vrouw vol van verdriet - in de kamer gelaten om naar haar John te kijken. Hij was aan een astmaverstikking overleden. De blauwe plekken in zijn hals heb ik nooit meer vergeten. Het levenloze deed ons voelen dat we zuinig moesten zijn op het levende.
Het over-lijden van nabije mensen deed je zeer. Ik leerde dat taal veel-zeg-gend is. Over-het-lijden-heen was de dood. Toch deed het immens verdriet. Dat brengt met bij Ad van Koolwijk; mijn vriend. Zijn dood gaf mij mijn huilen weer terug. Zijn vader die zowat blind was, sprak me aan. Luisterend naar mijn stem zei hij ": zeide gij het John ". Hij nauwelijks nog kon zien. Dat had hij overgehouden aan zijn beroep als drukker- letterzetter bij dagblad de Stem . Van een vergoeding wegens beroepsziekte kende ze in die tijd nog niets. De emotionele verbondenheid met hen veroorzaakte in mij een dijkdoorbraak waarbij het tranenvocht niet meer te houden was. Vanaf mijn vierde jaar waren Ad en ik dikke vrienden ook al konden we soms hevig vechten. Gelukkig een gelijk opgaande strijd waarbij geen winners waren. Ad is in een crimepassioneel overleden en ook Nol is tragisch aan zijn einde gekomen. Dat heeft hun vader Hein van Koolwijk - een fantastische man - behoorlijk bezeerd. Ik bezocht Hein, nadat zijn zoon Ad was overleden, regelmatig in het verzorgingstehuis. Waarbij - was het een mengeling van nostalgie en verlangen - onze gesprekken een voortzetting waren van de keren dat ik bij deze drie mannen mocht vertoeven.

Familie van Koolwijk

Ad van Koolwijk "den Blaauwe" noemde we hem als hij niet in de buurt was. Want deed je het waar hij bij was dan zwaaide er wat. IJzersterk was hij. Dan kreeg je ze van hem uitgemeten. En dat kon hij ook wel want hij was een pezig beresterke gast. Zelf zei hij "mijn haar is niet rood, maar brutaal-blond". Prachtig vond ik dat altijd. Hij had een geweldige belezenheid en verhuurde aan ons stripverhalen en boeken. Daarin stond keurig voorin Ex Libris. Dat was niet verwonderlijk omdat zijn vader Hein van Koolwijk - een schat van een man - drukker was bij dagblad de Stem. En later leerde ik dat de drukkers de eerste mondige mensen waren omdat zij konden lezen. Ze hadden de eerste vakbond en vormden als werknemers een front tegen het kapitaal.
Hein was verrukkelijk. Als wij weer eens flink "den beest hadden gereden" en op het politiebureau terecht gekomen waren, zorgden Hein ervoor dat we onbekend bleven.
Het was in die tijd gewoonte dat voor iedere scheet er een berichtje in de krant werd opgenomen. Had je wat appelen gepakt bij de boer en werd je betrapt dan kwam je in de krant. Maar Hein verdraaide je initialen en maakte je wel twintig jaar ouder. Niemand wist dan dat jij dat had gedaan. We waren er hem altijd stilletjes dankbaar voor.
Hein, de meeste mensen noemde hem Heintje, was gescheiden. Dat was voor die tijd in het katholieke zuiden een niet alledaagse gebeurtenis. Samen met zijn dochter bestierde hij het huishouden. Totdat zijn dochter trouwde met een aimabele man en het huis verliet; toen deden de mannen het huishouden zelf.
Dat gaf ons jongens, vrienden van Ad en Nol, ruim baan. We liepen naar het militaire schietterrein de Kogelvanger en wachten tot de rode vlaggen werden weggehaald. Die werden er geplaatst als waarschuwingstekens. Je mocht niet achter de Kogelvanger komen als er rode vlaggen uithingen. Dan werd er met scherp geschoten op dit militaire oefenterrein. Zodra de vlaggen verdwenen, slopen we over de zandbult het militaire schietterrein over op zoek naar afgeschoten kogels.
Nou die lagen er volop. We namen ze mee naar huis. Op het gasvuur van de familie van Koolwijk werd het lood uit de kogels gesmolten. Dat vingen we op in een ijzeren sigarendoos. Lood bracht veel geld op. Evenals de overgebleven geel koperen hulzen.
We brachten ze naar een opkoper in het Westeinde. Wel via de Oranjeboomstraat want anders was het weer knokken geblazen met jongens uit die buurt. Voor het geld kochten we snoep en ijs in winkel tegen over de OLV van Lourdeskerk. Wat zal de gasrekening hoog geweest zijn bij vader van Koolwijk. Maar ja je merkte dat niet zo. Want de gasmeters waren toen nog " boter bij de vis ". Dat wil zeggen dat je gaspenningen moest kopen bij het gasfabriek en die moest je in de gasmeter stoppen en dan kreeg een kubieke meter gas. Geen penningen in huis, en dat gebeurde nogal eens, geen gas.
Soms mocht ik Zondags bij de van Koolwijkjes blijven eten. Het eten in dit mannenhuishouden was voortreffelijk. Maar dat was niet het enige dat we consumeerden. Het gesprek tijdens en na de maaltijd was een overvloed aan uitwisseling. Je kon er filosoferen over de zin en onzin van 't bestaan. De politiek - alleen de vader van John van de Kerkhof was in onze buurt officieel lid van de PvdA - werd breed uitgesponnen. Dat kon allemaal bij dit intelligente driemanschap.
Overigens was Ad ook heel bij de hand. Hij had in het huis elektrische schakelpanelen aangelegd, waarmee het licht overal meteen kon worden gedoofd. Dat was gemakkelijk als wij met onze vriendinnen Tony, Bep en Marianne bij Ad in huis waren. Plots viel al het licht uit. Op tast moest je dan verder. We waren bij de familie van Koolwijk kind aan huis.
Hein was bij het muziekgezelschap Vondel. Ze repeteerden in café het Boerke in de Veemarktstraat waar wij aandachtige luisteraars waren. Dat leverde ons altijd wel een drankje op van de muzikanten. Met carnaval was Vondel ook altijd van de partij. Hein was dan veel van huis met zijn muziekinstrument. Zo ontdekte we, toen we met Carnaval bij hem binnen waren, het geld. Vijfentwintig gulden in de rand van zijn hoed verstopt. Om en lang verhaal kort te maken: die Carnaval was voor ons een waar festijn. Het geld verdween uit de rand van de hoed in onze zakken en daar is het niet lang gebleven. Later - toen Hein in het verzorgingstehuis St. Elisabeth woonde - heb ik het hem opgebiecht. Sneukelend en zoals hij dat kon met binnenpret lachend, zei hij "ik heb er altijd onze Nol voor aangekeken ". Ik heb toen aan Hein het schuldbedrag ingelost met een heerlijke fles als rente. Die hebben dan weer samen geconsumeerd.

Door: John Schouten