Heuvelflarden 6

Door John Schouten

Kerkfonds

We waren echt wel schavuiten en menigeen heeft wel eens hartgrondig op ons gevloekt, neem ik zo aan. 's Morgens bij kapelaan Huismans de mis dienen als een vrome misdienaar en na schooltijd de hort op. Kapelaan Huismans was bij de verkennerij aalmoezenier. Ik dacht, toen ik voor het eerst het woord aalmoezenier hoorde, dat kapelaan Huismans de aalmoezen ophaalde. Maar ik kwam er gauw achter dat pastoor Vos dat deed. Vos was ook wel een slimme. Hij introduceerde het "Kerkfonds -kwartje " . Hij richtte het parochiale kerkfonds op en als je daar bij ging, hoefde je niet te betalen voor de mis als je onverhoeds dood zou gaan.
Maar de meeste mensen waren bij de Dela. Draagt Elkanders Lasten. Een onderlinge begrafenisverzekering die de mis etc. toch betaalde. Meestal waren het gepensioneerden mannen die bij de Dela begrafenis de kist draagden. Mijn Opa de Klerk en Sjaak Willemsen, zijn buurman, deden dat ook. Opa verhaalde dat ze nog eens een heel zware mens in het graf hadden moeten laten zakken. Sjaak was daarbij uitgegleden en half in het vers gedolven graf verzeild geraakt. De andere dragers konden de kist met het zware lijk niet houden en lieten hem schieten. Sjaak was ook zowat begraven. Het heeft wel even geduurd voordat ze de levende weer uit het graf hadden gehaald. Het geld werd ieder week door de koster huis-aan-huis opgehaald, zodat de geldstroom een continu karakter kreeg. Pastoor Vos was kapelaan geweest in Princenhage en tot bouwpastoor benoemd voor het Heuvelkwartier. Bouwpastoor betekende dat hij pastoor mocht worden, maar ook mee moest zorgen dat er geld kwam om de kerk in het Heuvelkwartier te bouwen. Pastoor Vos een, ietwat flegmatieke aan overgewicht lijdende grote, man zat met een onversaagde inzet achter het geld aan. Hij had een zachtmoedig karakter. Dat mochten wij boefjes wel want hij bejegende ons altijd met een zeker elan van " jongens, wat zou ik graag ook met jullie meegaan om te ravotten.

Verkennerij Pius XII

Er was in de parochie een verkennertroep genoemd naar Paus Pius XII. Onze dassen bestonden zelfs uit de kleuren van zijne Heiligheid. Niet dat zoiets ons beletten om streken uit te halen, in tegendeel. Je werd pas heilig als je het andere ook kende, vonden wij. Oh ja, het woord Aalmoes is een gift en komt van medelijdend, barmhartigheid. Nou, medelijden had aalmoezenier Huismans niet zo met ons. Als we met hem stoeiden, knokte hij net zo hard terug en was niet vies van valse trucjes. Maar als hij verloor en dat gebeurde menig keer, dan kon hij ook stevig vloeken. Dan liet je hem meteen los, want je dacht dan dat den duvel in hem was gevaren. Met de verkenners haalden we bij firma de Witte op de Nassausingel van die tenten van zeildoek en daar gingen we mee kamperen. Op kamp, helemaal naar de Eifel in Duitsland, naar het plaatste Heimbach. Opman van Heusden was er ook bij en die had een oogje op een schöne Fraülein uit het dorp, die een pracht van een Dirntel ( traditioneel kleed) aan had. Als we voorbij haar huis gingen, werden we in colonne opgesteld. Daarna marcheerden we zingend, met alle gezichten ook die van de Opman naar haar gericht, aan haar voorbij. Het leek wel of jezelf verliefd was.

"De zwarte hand"

Kees Stevens kwam later ook bij ons op de verkennerij. Hij is niet lang op de Pius XII troep geweest. Ze deden hem heel wat oneer aan. Kees was patrouilleleider en bij een nachtspel werden er elke keer een of twee verkenners ontvoerd en een tijdje gegijzeld. Op het laatst gebeurde dat ook overdag. Steeds met de boodschap dat "de zwarte hand" bezig was. Kees was op een avond onder het raam van oubaas Maas - in het dagelijkse leven was die beroepsmilitair - in de Willem Barendzstraat gaan liggen. Hij ontdekte daar dat " de zwarte hand" door oubaas Maas en nog wat andere kompanen werd geleid. Bij een volgende gelegenheid marcheerden we tijdens een nachtspel niet meer rechtdoor maar linksaf. Niet meer in de handen van op de loer liggende zwarte handen, maar gewoon terug naar het troephuis ( de keet aan de Talmastraat), waar de gidsen (de meisjesbeweging) al op ons zaten te wachten. Die oubaas Maas was zo woest dat Kees het geheim van de zwarte hand ontdekt had - en hij kon niet tegen zijn verlies - dat Kees patrouilleleider af werd gemaakt voor het front van de hele troep. We vonden het uiterst unfair en oneerlijk, dat Kees zijn insignes werden afgerukt - je zag dat nog wel eens in oorlogsfilms - zodat wij wat later geen leiding meer wilden. We zijn toen op landelijk niveau de eerste verkenners groep zonder leiding geworden. Als de zwarte dassenpatrouille werden op kasteel Bouvigne door de nationale hoofdcommissaris van de verkennerij geïnstalleerd vrije verkenners. Kees stevens was er toen jammer genoeg niet bij.

Kees Stevens

De familie Stevens woonde naast de familie Vet en schuin tegenover ons in de Houtmanstraat. De vader van Kees Stevens was rijkelijk voorzien van een reukorgaan. Wij hadden er zelfs een liedje opgemaakt. Het liedje had slechts een 11-tal woorden en leek meer op een boedistische mantra dan op een Eurovisie festival song. Met veel theater werd het liedje ten gehore gebracht. Henny Vet werd door ons op een primitief in elkaar geknutselde brancard gelegd en van een suikerbieten neus voorzien. Wij stelden ons in rijen van drie langs de brancard op en dan gingen we in optocht de plots (= tuin) van Stevens op. We zongen daarbij we uit volle borst: " de neus is rood, de neus is rood, we eten vanavond krentenbrood ". We gingen tot vooraan bij het raam, dan draaiden we om en gingen zingend de plots weer af. Kees was echt ondernemend en ik meen dat hij later ook nog kok op de grote vaart is geweest. Al jong trok de haven van Rotterdam hem aan en hij nodigde mij uit om op de fiets naar Rotterdam te koersen. Ik op mijn oude versleten fiets mee over de Moerdijkbrug voorbij Dordrecht ……naar Rotterdam. We zwommen in ons onderbroek in een soort op oliebussen drijvend zwembad dat in de Maas was aangelegd. Op weg naar huis zakte mijn fiets helemaal in en op verzoek van Kees kieperde wij hem vanaf de Moerdijkbrug in het Hollands Diep. Ik achterop bij Kees en zo verder naar huis. Het was in de holst van de nacht toen we aankwamen en de hele buurt op straat zagen te staan. We waren naar Rotterdam gereden zonder er thuis iets van te zeggen en niemand wist waar wij twee zaten. Het geluk van de ouders en van de straatbewoners, want die leefden flink mee, was onbeschrijfelijk. Dat meeleven was er ook toen Wiekie Nooyen ons buurjongetje onder een auto kwam en overleed. (zie ook)Hier. Ik was er niet bij, maar mijn broers en nog wat andere jongens wel.
Er werd regelmatig "een grote blok" gelopen. We renden dan langs de witte brug, over de Mark (Aa) en dan langs de Vlieren en over de - toen nog Graaf Engelbertlaan (dacht ik) genaamde éénbaans snelweg naar de Bieloop en zo terug naar huis. Op de snelweg werd Wiekie geschept door een auto en overleed. Het verdriet en medeleven was groot. Zijn begrafenis - de klasgenootjes stonden vooraan - maakten op ons een diepe indruk. Iemand die naast je woonde, waar je mee speelde, waar je binnenkwam om naar de toverlantaarn te kijken. Het huilen van zijn broer Jan en zijn zussen, de ouders… je werd zelf meegezogen in een kolk van verdriet. Zijn moeder Rina Nooyen heeft er lang overgedaan om de wond enigszins te laten helen.

Foepspringen

Achter het huis van de familie Stevens was toen een open bouwplek. Stedenbouwkundig wel iets gepland, maar nooit uitgevoerd. Ik dacht dat het een apotheek had moeten zijn die daar gebouwd diende te worden. Later is er een woonhuis gebouwd. Het huis van de familie Huiskens uit de Willem Barendzstraat grensde daar tegen aan. Dit was ook een van onze favoriete plaatsen om samen te komen. Rini(ka) de Ruiter, Nico Huiskens, Cor Celie, die van Chater, wij natuurlijk etc… Harry en Wil Buinsters waren er ook bij. Met de Buinsters mannen hadden wij het wel, trouwens met hun enig zus Ria ook wel.. Ze waren groot en flink sterk en loyaal. Ze hielpen je ook onmiddellijk als je ruzie had en wij het niet konden winnen. Ze sprongen zo voor je in de bres. Toffe vrienden !!!! Ik weet ook nog dat ik met de Vetjes en Ad van Koolwijk de tuin bij hen insloop en zo de havermoutpan , die achter in de keuken op het vuur stond te pruttelen, hebben leeg gegeten. Wie ze daarvoor aan hebben gekeken, weet ik gelukkig niet.
We deden foep springen; een geliefd spelletje van ons. Er staat iemand met zijn rug tegen de muur. De tweede man buigt zich en legt zijn hoofd in de handen van diegene die tegen de muur staat. Nummer drie buigt zich en pakt het achterste van de tweede man vast, nummer vier buigt zich en pakt nummer drie vast etc. etc.
Dan beginnen die mannen die elkaar vast hebben te slingeren en moet iemand van achter zo ver mogelijk op de rij (= foep) springen. Zover mogelijk naar voren duiken en zien dat hij er niet afvalt. En dan zo de volgende enzovoort, enzovoort. Harry Buinsters was de eerste die op de foep moest springen. De krachtige Harry nam een geweldige aanloop en sprong …. Zover dat de man tegen de muur weg moest duiken en Harry in volle vaart met zijn hoofd tegen de buitenmuur van het huis van Huiskens klapte. De klap had het geluid van een V1 die insloeg en vrouw Huiskens kwam van schrik ontdaan naar buiten gerend. Zij had de oorlog nog meegemaakt en kende dat geluid. Zij had in haar huiskamer de schilderijen van de muur zien vallen. Harry - we hebben regelmatig naar zijn gezondheidstoestand geïnformeerd - hebben wij verscheidende dagen niet meer buiten gezien.



Bewerkt door: Ria Veltman