Heuvelflarden 7

Door: John Schouten


Paarden

Voor de Witte Brug over de Mark(AA) lag de boerderij annex café van Kiske Nuiten. Kiske hield ook pony's, die op de dijk van de Mark waar het gras in overvloed aanwezig was, graasden.

Wij vonden dat prachtig, die paardjes, die slechts tot je middel kwamen en waar je zo op kon springen en rijden. Dat scheelde toch in vergelijking met het geld dat je op de kermis moest betalen voor een paardenritje, een behoorlijk bedrag. Maar als Kiske je zag dan probeerde hij je toch een pak rammel te geven als je op zijn paardjes reed.
Van ver herkenden wij hem al aan zijn groenbeige manchester broek en zijn ietwat waggelende pas. Gelukkig voor ons is het hem niet gelukt om ons te pakken te krijgen.

We hadden ook nog een ander paard waar we circus mee reden. Dat was het paard van Gonneke Pot dat werd ook in de wei gezet bij de Vlieren. Gonneke Pot en haar man waren groenteboer en zij kwamen met paard en wagen huis aan huis de groente afleveren. We hadden een toom gemaakt zodat het paard, een witte schimmel goed naar ons luisterde. Wanneer we onze kunsten met het paard uithaalden stonden veel toeschouwers met bewondering te kijken. Dat deden ook de argeloze fietsers. Een van ons zat dan op de reling van de Witte Brug en als er fietsers aan kwamen, die stopten om de rivier te bekijken viel hij zogenaamd per ongeluk achterover in het water. Luid gillend: "Help, help, help!". Toch raar bedenk ik nu, dat geen enkele toeschouwer of passant ons ooit uit het water heeft proberen te vissen.

De Kleemans

Later kreeg Gonneke Pot concurrentie van de Kleemans. Die verkocht ook groenten en had ook een paard en wagen. Zijn wagen was een en al nieuw hout dat blonk. En hij was ook uiterste vriendelijk, wat wij al zeer verdacht vonden. Klantenwinner riepen wij dan tegen hem. Dat deden we omdat hij gierig was. Van Gonneke Pot kregen we altijd wel een appel of peer. Daarmee redde zij de rest van het fruit op haar wagen uit onze handen. De Kleemans niet. Die nam zijn broer als bewaker van zijn fruitkar mee als hij bij ons in de straat moest zijn. De gierige pin. Je had ook nog Janus de melkboer uit het Westeinde, die zijn melk bij ons in het Heuvelkwartier sleet. Van Janus werd gemeld dat hij de melk aanlengde met wat water, maar daar hebben wij hem nooit op kunnen betrappen. Hij was een kei vriendelijke man die altijd ietsje voorover gebogen liep. Janus had ook paard en wagen en als wij hem elders tegen kwamen bv. in de Dijklaan dan mochten we meerijden. Veel later had de melkboer een elektrische hond. Een kar met twee wielen van achteren en één van voor, die werd aangedreven door een accu. De mechanisatie maakte dat de lol eraf ging. Er is ook nog een poosje een soepboer door de straat gekomen. Hij verkocht diverse klaargemaakte soepen. Die van mijn oma was veel lekkerder dus bij ons was er geen soepboersoep.

Kattekwaad

Voorbij de Witte Brug en daarnaast en erachter lag een grote boomgaard. Deze boomgaard was voorzien van grote rode blozende appelen die ons verlokkelijk aanblikten en riepen: "Pluk ons, pluk ons!", wat wij dan ook met graagte deden. Toentertijd sprak men nog niet van een fruitteler of zo; de boomgaard heette gewoon Plaswijk. We lagen de appelen al genietend te consumeren op het grasveld voor het Mencia de Mendoza Lyceum toen er plots een VW-politiewagentje op ons afreed. Twee agenten tjoepten uit het VW-kevertje en ook nog een man in burgerpak. De man in burger (zoals wij dat zeiden, als een politiebeambte zg. niet herkend willen worden en geen uniform aan had) begon ons de les te lezen. Op onze vraag hoeveelste graad lesbevoegdheid hij dan wel niet had. De twee agenten wisten het niet waar ze het hadden. Toen vroegen de agenten ons of wij wel wisten tegen wie we het hadden. Neen en toen bleek het de officier van justitie te zijn, die in het Montensbos woonde. Nou van recht kende wij ook al wel wat en daar we niet op heterdaad betrapt waren, vonden we dat de agenten ons dienden te laten gaan. Dat gebeurde dan ook maar de volgende keer was het wel prijs!!! We hadden in het Mastbos vogelnestjes uitgehaald. Toen kon dat nog, nu gelukkig niet meer. En Cor Roks, hij woonde in de Houtmanstraat, (De hele familie is naar Australië geëmigreerd.) had de eieren uit de nestjes in zijn pet gedaan en zo op zijn hoofd gezet. We werden door de beide agenten van de appelaffaire herkend en tegengehouden. Of de ene agent het rook, weet ik niet maar hij vroeg aan Cor Roks hoe hij heette. Die zei zijn naam en de agent bromde van heeee Rokske... Rokske en legde zijn hand op de pet van Cor waar die eieren in zaten en wreef er eens stevig met zijn grote hand over. Het eierstruif dreef Cor langs de oren en sijpelde zo in zijn nek. Jaaakkes. Overigens herinner ik me nog een verhaal van mijn ome Willem Schouten, die in het Montensbos nog eens wat geflikt had. Het was in oorlogstijd en Willem had een deal gesloten met een bewoner uit het Montensbos om een zak suiker te leveren. In plaats van suiker leverde Willem, het had flink gesneeuwd, een zak met sneeuw af. Daarvan was de volgende ochtend toen de dienstmeid suiker uit de kelder moest gaan halen niet veel meer van over. Willem had gedacht dat ze hem niks zouden maken, want je mocht niks kopen op de zwarte markt maar hij werd toch opgepakt, omdat die man waar hij bij had geleverd bij de politie of zo was.

De Vetjes

Het Montensbos was voor ons ook een speelterrein en niet zo maar een. Beppie Vet werkte er bij de familie van der Werf en door Beppie werden ons de goede en ook de chique manieren aangeleerd. Dat leverde, als we tegen Beppie heel beleefd waren, het nodig lekkers uit de keukenkast van mevrouw van der Werf op. Wat Beppie altijd jammer vond, was dat haar broers, de tweeling Al en Hen ( voluit Albert en Hennie) zodra ze thuis waren al het geleerde lieten vallen en soms ook flink ruzie met mevrouw Bep maakte. Van Albert kan ik me nog herinneren dat we aan het spelen waren langs de Rondweg. We hadden een houtvuur gemaakt en met de benzine uit het benzineblik, dat we er vonden, overgoten. Ik stond bij het brandende vuur en wilde de laatste druppels benzine uit het blik nog op het brandende vuur laten druppelen. De klap was oorverdovend, de bodem vloog uit het blik, gelukkig niemand geraakt en ik stond met het restant van het blik in mijn handen te kijken of ik zojuist op Mars geland was. Toen we naar huis gingen over de weilanden, bleef Albert met zijn broek aan het prikkeldraad hangen. Thuis gekomen bleek hij een flinke winkelhaak in zijn broek te hebben, maar ook bloedde zijn piemeltje, door de schram die erop zat, enigszins. Moeke Vet, zijn moeder, haalde er vrouw De Wild, haar buurvrouw bij om te bezien of het erg genoeg was om naar de dokter te gaan. In het kielzog van vrouw De Wild verschenen ook een aantal van de vijf dochters, ze hadden geen jongens, die vrouw De Wild samen met haar man Marijn(tje) had. Nieuwsgierig waarschijnlijk naar hoe nou een jongen eruit zag, stond Albert daar in zijn naaktheid en werd begluurd of bewonderd door de buurmeisjes. Later zei hij steeds: "Verdomme... Verdomme". Overigens was Marijn een aangename man. Indertijd werkte ik op het laboratorium van de Zij (HKI) en Marijn ook. Hij dronk nooit koffie, maar sloten thee en elke keer was er het zelfde ritueel. Hij goot de thee in het schoteltje en liet hem dan afkoelen. Daarna ging de thee in het kopje en weer even later verdween de thee in het keelgat van Marijn, waarna hij altijd dan een klassieke aria, hij was dol op klassieke muziek, bromde.

The Judge

Wat ik ook een aangename man vond was Jan Lommers bijgenaamd "The Judge" (De Rechter). Hij redde mij en Ad van Koolwijk nog eens van een stevige aframmeling. We waren op de kermis in Princenhage vlak voor café hotel 't Rode Hert waar de schommels stonden. We kregen ruzie met een lange slungel, later bleek het nog verre familie van mij te zijn, die tegen ons lag te klieren. Ik had hem in een judogreep door de lucht gezwierd en daarmee was het eigenlijk al afgelopen. Maar een stuk of zes op vechten uit zijnde veel oudere gasten begonnen aan ons te trekken en te duwen. Ad en ik voelden het al aan, er was aan deze overmacht geen ontkomen aan. We konden ook niet vluchten omdat er op de kermis veel volk was dat allemaal rond ons begonnen te klitten en belust was op het schouwspel. Flink afgemot worden door die gasten lag in het vooruitzicht. Opeens stond daar politie in burger. Een lange man, die boven het volk uit stak en zei: "Ik ben van de recherche Breda. "Jij, mee en jij, mee.", sprak hij terwijl hij mij en Ad aanwees. Hoewel we het oneerlijk vonden omdat die zes gasten niet mee hoefden, volgden we toch netjes de rechercheur. Eenmaal in de Dreef buiten de mensenmassa aangekomen, zei die rechercheur tegen ons: "Ik ben van het feestcomité van Breda. Mijn naam is Jan Lommers." Stom verbaasd waren Ad en ik, Jan Lommers nam ons mee in een gereed staande taxi en leverde ons thuis voor de deur af. Later zag ik Jan nog dikwijls terug omdat hij toen met mijn vader samen bij uitgeverij Orbis als colporteur wekte. Ze verkochten encyclopedieën en hadden veel, veel lol.

Bewerkt door: Ria Veltman, d.d.: 26-01-2005.