Heuvelflarden 8

Zuid-Nederlands kampion boksen

De kermis was voor ons ook altijd een hele attractie. De grote kermis, die op de Oude Vest, in de Halstraat en Grote Markt stond was wel het leukst. Op de kermis liep een muzikant met een wit gemaakt gezicht en een puntmuts op. Daaraan zaten allerlei bellen, die als hij met zijn hoofd schudde als een soort taboerijn begonnen te rinkelen. De witte schmink op zijn gezicht gaf hem een soort uitdrukkingsloos dodenmasker. Koperen Ko werd hij genoemd. Een soort clown met dito pak, die daar rond liep en geld verzamelde met zijn muziek. Zijn instrumentarium bestond uit een accordeon (= trekzak) met daarop een mondharmonica gemonteerd. Een grote trommel op zijn rug vervolmaakte dit éénmansorkest. De trommelstok was met een touw aan zijn voet verbonden en door die te bewegen, trommelde hij, speelde accordeon, schudde met zijn hoofd de bellen en blies op het mondharmonicaatje.
Maar de kermis was voor ons een extra attractie als de bokstent er stond. Een soort ceremoniemeester stond voor de bokstent luidkeels te roepen of er nog gegadigden waren om te boksen. Hij riep dan dat als je won van zijn bokskampioen je wel vijf gulden premie van hem kreeg. Boksen tegen de achter de gordijnen weggestopte bokskampioen.
De verschrikkelijkste, de onoverwinnelijke, de alles al op knock-out gewonnen hebbende ijzersterke bokser. Overal al kampioen geweest; beroemd in heel de wereld en ver daarbuiten. Na een poosje kwam die vervaarlijke bokser achter de gordijnen vandaan naar buiten en brulde alsof ze hij zojuist door duizend wespen was gestoken. Keek woest in het rond, sloeg zich als een gorilla op de borst en begon te schijnboksen. Mijn vrienden en ik stonden al vooraan. We hadden nog geen kaartjes gekocht want dat deden we pas als we zeker wisten dat...?

We stonden daar vooraan in gezelschap van de "Oudere gasten." uit het Heuvelkwartier, Janus de Klerk, Cor Celie, Nol van Koolwijk, Piet Vet, Lut van Loon, Toon de Ruijter, Nico Huiskens en Cees Diemer. Nadat de ceremoniemeester een tijdje flink geroepen had, nodigde hij nogmaals mensen uit het publiek uit om tegen zijn kampioen te boksen. De beloning was al op tien gulden terecht gekomen om toch iemand te lokken. En ja hoor, dan ineens, dan wisten we dat we de kaartjes rap moesten halen. Want ineens kwam uit het Heuvelkwartiergroepje, de niet al te grote, glimmende en vriendelijk lachende, zijn zwarte gegolfde haren keurig achterover gekamde, stevig gebouwde Cees Diemer te voorschijn. Cees had een bedrijfje dat neonreclame maakte en installeerde. Zijn werkplaats, een grote groene houten loods stond achter in de tuin van zijn huis in de Willem Barendszstraat (het tweede huis vanaf de Grote Poort en aan de achterkant grenzend aan de tuin van kruidenier Joosen).
Later heeft Koos Visser het bedrijfje voort gezet. De ijzersterke Cees Diemer kwam naar voren, trok zijn jasje uit en zei tegen de verbaasd naar hem kijkende ceremonie-meester: "Ik, ik boks met hem". De zogenaamde wereldkampioen boksen, keek Cees dan minachtend aan en je zag hem denken pfffffff.. dat is zo gebakken.
Dat manneke tik ik in ene om. Wij zaten al binnen om onze held Cees aan te moedigen. Nu was dat, en dat wisten wij wel, niet echt nodig. Maar die kermiswereldkampioen boksen wist dat niet. Cees kwam in de ring en onder luid gejuich en gejoel van de schare jonge supporters van Cees moest de grote sterke kermisman elke keer slag na slag van Cees incasseren. Cees Diemer Zuid-Nederlands kampioen boksen. Vliegensvlug, aalglad en elke fout in de verdediging van de kermisbokser afstraffend, danste Cees als een ware Cassius Clay rond de, niet begrijpende waar de tjokken vandaan kwamen, verdwaasde kermisbokser. Het was blijkbaar wel verboden om als lid van de boksbond op een kermis te boksen. Maar om het uitdagende gegrom van de zg. kermiskampioen te stoppen en de niet te versmaden tien gulden beloning in ontvangst te nemen, was Cees bereid het tegen hem op te nemen. Daarbij was onze bewondering voor deze toch enigszins fragiel gespierde buurtbewoner ook nog een extra beloning.

De Gezusters

In het begin werd het Heuvelkwartier aan de randen ervan bewaakt door vrouwen. Je had aan de Dr. Struyckenstraat de gezusters Verger (Gezusters Verger). Twee oudere ongehuwde dames die allerhande snoep en lekkernij verkochten. Het was er altijd schemerdonker want door het uit te draaien van de lampen spaarden ze flink wat uit. Maar dat gaf mij en mijn vrienden weer de kans om, wanneer ze achter in de gang iets moesten halen snel over de toonbank heen en vanachter de kleine vitrine een heerlijke bonbon te nemen en in onze mond te steken. Of ze het hoorden aan het daardoor bij ons ontstane spraakgebrek weet ik niet, maar al snel lag er ritselend cellofaanpapier over het lekkers. Je kon er niet meer aan en zij hoorden aan het geritsel dat je probeerde te snoepen. Jammer! Dan maar naar de Gezusters Ouwerling die op het Planciusplein, schuin tegenover groenteboer Oomen, een bakkerszaak uitbaatten. Met hun zwart geverfde haren en rood gestifte lippen staken zij heel kleurrijk af tegen het grof grijs van het brood of de enigszins licht verkleurde puddingbroodjes.
Vriendelijk waren ze wel. En het onthaal was elke keer alsof je voor het eerst bij hen in de winkel kwam. Bovendien kreeg je ook iedere keer wel wat lekkers toegestopt. Voorbij de Gezusters Ouwerling richting Roggeveenstraat/Oranjeboomstraat bewaakte mevrouw Vreeken in haar friettent ook een ingang van het Heuvelkwartier. Wachten op werk is ook werken zei ze altijd tegen ons en begon dan in haar trage tempo de friet te bakken. Terwijl ondervroeg ze je als een eerste klas rechercheur over wat je allemaal uitspookte en als we van de Mark langs haar friettent terug naar huis liepen, wist je zeker dat ze kon raden wat voor soort kattenkwaad je had uitgehaald. We bleven wel goede vriendjes met haar, want bij ons deed ze altijd een extra schep friet in elke zak.

Speelgedierte

Helemaal aan de andere kant van het Heuvelkwartier, daar was het al Heuvelstraat grenzend aan de Postiljonstraat, woonde vrouw Naalden met als overburen de familie Van Twist. Vanaf de Heuvelbrink naar Naalden liep een akkerpad omzoomd door een uitgeschoten beukenhaag. We noemden het, "Het vrijerspaadje". Daar hielden de grotere gasten (=jongens) uit de buurt en de bevallige meisjes zich op. Als je naar Naalden moest of naar van Twist ging, kwam je er langs. Ondanks de zomerse bladerkoelte steeg het rood je naar de wangen wanneer dan een van die grotere gasten vlak voor jouw puberneus het meisjes een klinkende zoen gaf. Van Twist deed in dierenbenodigdheden. Zodra wij een kauw gevangen hadden, waren we bij hem om opgroeivoer te halen. Mijn kauw Jantje deed het zo goed, dat hij met me mee naar school vloog en daar op het dak wachtte tot de school weer uitging en dan op mijn schouder vloog.
Hij stal bij Herreijgers de blinkende theelepeltjes van de tafel en stopte ze dan in zijn kooi waar hij in en uit kon vliegen. Hij heeft echter geen lang leven gehad. De duivenmelkers uit onze buurt waren helemaal niet op mijn kauw Jantje gesteld. Het beestje vloog rond, ging in en uit zijn openstaande kooi en landde bij ons of bij anderen op de plots. Dat deed de duiven, vooral als ze van verre vluchten kwamen, opschrikken.
Vermoeid als die duiven waren van de vluchten uit Orléans, Dax, Chateaurouge en St. Vincent kwamen ze toch niet meer op de klep van het duivenhok, maar bleven op het dak zitten.
Mijn vader heeft er nog eens eentje van het dak geschoten om zo de katjesring ( katsjoe = rubber) te bemachtigen en in de constateur (duivenklok) te kunnen stoppen. Dan moest je in sneltreinvaart naar café "t Maastrichts bierhuis" op de Haagdijk om de klok af te slaan en in te leveren. We namen al het speelgedierte dat we in het Mastbos en verderop vingen mee naar huis. In Meerseldreef hadden we een kerkuil gevangen, maar het aanleveren van muizen en mussen als voedsel om de spleetogende vogel in leven te houden was niet het leukste werkje. We brachten hem naar kapelaan Fick van de Martinuskerk in Princenhage. Die was bij de vogelbescherming en hij ringde de uil en schreef in een soort logboek van alles op. Toen werd ons uiltje boven in de kerktoren geplaatst en wij vonden dat we een heel goede daad verricht hadden. Dat was anders met Thijs Stevens, die had met zijn kornuiten een tweetal eekhoorntjes uit het bos meegenomen en Thijs had ze thuis in een kooi gestopt. De boswachter was daar achtergekomen en Thijs moest de beestjes aan hem geven. Toen hij ze in het kooitje van de boswachter wilde stoppen, vergat hij zijn leren handschoen aan te trekken en jawel hoor prijs..het bloed spoot uit zijn vingers. Thijs had het nadien niet meer zo op eekhoorns.

Door: John Schouten

Bewerking: Ria Veltman 31 januari 2005