Heuvelflarden 9

Door: John Schouten

Ambachtslieden

Aan de andere kant van het Heuvelkwartier voorbij de Heinsiusstraat en de Flierstraat lag de melkfabriek St. Martinus aan de Mastbosstraat. Daar maakte ze door in de melk plantjes te gooien en flink te roeren, van de verzuurde melk lekkere yoghurt. Je snapte daar als kind niet veel van maar het was wel lekker als je mocht proeven. Even verderop lag café de Roskam en er tegenover in een grote boerderij woonde Heintje Oomen. Hij verkocht benzine en coverde je autobanden. Dus autobanden waarvan het profiel allang niet meer te zien was, werden bij Heintje afgeleverd. Die sneed met een soort elektrisch verwarmde baardentrimmes een nieuw profiel op je banden. Ze waren na zijn bewerking weer zo goed als nieuw, wel wat dunner, maar toen vonden we nog, die daar toen op letten, een kniesoor. Schuin tegenover Heintje Oomen in de Mastbosstraat had je de tweewielerspecialist Janus van Nispen. Voor de tweewielers en alles wat er los of vast aan zat, moest je bij hem zijn. Een zwijgzame man maar wel een vakman. Zonder al te veel gespreksstof ging hij als het kleine reparaties waren, onmiddellijk aan de slag en binnen het kwartier zat je weer op je stalen ros. Vanaf Janus van Nispen kon je langs café de Turfvaart naar een stukje verderop gelegen soort rotonde. Die rotonde is er allang niet meer. Op een zekere dag werd er op die rotonde een hele hoge lichtmast geplaatst. Een soort proefmast waarop NAC gloeiend jaloers zou zijn geweest. Wanneer je in de buurt van die lichtmast kwam en de lampen brandden dan kon je eigen schaduw niet meer zien zoveel licht kwam eraf. Wij zeiden dat het was voor café restaurant "De Congo". De Congo werd uitgebaat door de familie Dekkers, waarvan de meeste leden ook brutaal-blond haar hadden. Dat haar werd geknipt door Guusje de Kapper die op Effen het haar nog in degelijk ouderwetse stijl aanviel en je na zijn behandeling triomfantelijk de straat op stuurde. De automobilisten die op de rotonde onder de lichtmast reden, konden vanaf de verlichte rotonde zo "De Congo" op de Rijsbergseweg zien liggen. De Belgische franc stond toen nog 7,72 cent, wat een leuk bedrag was om te spenderen. Er stonden dan ook altijd dure Amerikanen, van die grote dure auto's met vlinderstaarten en een Bels nummerbord voor de deur.

De Nooi

Vanaf deze rotonde kon je naar de Tonnekesbuurt. Ons werd verteld dat de naam Tonnekesbuurt er was omdat die mensen nog geen riolering hadden. Hun waterclosetten (wc's) waren niet op een riolering aangesloten en zij deden het in een tonneke. Aan het eind van de straat lag de marechausseekazerne waarvan gezegd werd dat die veel strenger waren dan de mannen op ons eigen politiebureau in het Heuvelkwartier. Daar voorbij woonde Pau Schoenmakers. Zijn boerderij, zo vertelde de ouderen tegen ons, was een kroondomein. Het eigendom van de koningin en Pau was daar een pachtboer. Om in het achter de boerderij gelegen bos "De Trippelenberg " te komen, moest je wel over de werf van zijn boerderij. Het was er altijd heel stil rond de boerderij. Slechts zelden zagen we volk. Op een keer hadden we wat boomstammen in een wei gelegd. We dreven de koeien, zoals in een echte cowboyfilm bijeen, en lieten de koeien over de boomstammen springen. Een paard ontbrak ons om ons echte cowboys te voelen. Maar de werkelijkheid kwam rauw terug toen Pau met zijn zonen ineens aan het begin van de wei verschenen. We vluchtten alle kanten uit maar Jan Nooijen hadden ze te pakken. Ze namen hem mee naar de boerderij en bonden hem aan een soort lier en lieten hem zo in de gierput zakken. Wat stonk die Jan, een uur tegen de wind in, toen we hem wat later op den dijk weer zagen aankomen. Jan heeft trouwens nog eens geluk gehad. We waren bij het Verlaat aan het spelen en ze waren daar een brug aan het renoveren. Er lagen allemaal steigerpalen in het water waarop we speelden en ineens viel Jan tussen de palen. Hij verdween onder water waarbij de palen zich weer aaneen sloten. Ik kreeg de schrik van mijn leven te pakken. Haast intuďtief sprong ik op de palen, duwde met mij beide benen de palen op de plek waar Jan verdween uiteen en graaide voorover hangend in het water. Een flinke haarbos kreeg ik te pakken en ik sleurde zo hard ik kon de Nooi naar boven. Jan Nooijen (de Nooi) kon zich ook gruwelijk ergeren aan de opmerkingen van zijn zus Wies(ke). Als wij in de straat aan het spelen waren, riep ze keihard: (ik hoor ze het nog roepen) “Jan, Jan eten, eten”. Op zijn vraag wat voor lekkers er dan op tafel zou verschijnen riep ze weer even hard. "Poetjespap". Het gegrom van Jan was dan niet van de lucht. Dat kwam omdat poetjespap ook pap was die de katten (de poesen) kregen. Het was het oude brood en de korstjes, die met warme melk werden bereid en opgediend. Eigenlijk werd dat gedaan om niets verloren te laten gaan. Met eten mocht je van je ouders niet spotten. Zij hadden de oorlog meegemaakt en wisten wat honger lijden betekenden. Voor ons was het meer een armeluimaaltijd.maar wel bijzonder lekker, vooral als er bastaardsuiker in werd gedaan.

De grote en kleine kuil

Voorbij Tripplenberg richting Prinsenplassen lag de kleine kuil en de grote kuil. De AA of Weerijs had hier in zijn bochten de oevers uitgeschuurd en daardoor ontstond aan de stroom kant een hoge oever. Aan de andere kant lag er dan het zand als een soort tropisch wit strand op ons te wachten. De kleine kuil was niet zo ver uitgeschuurd, maar de oever was wel steil. Daar zaten ook veel gaten, waar de oeverzwaluwen hun nest in hadden gebouwd. Zwaluwen deden we niet vangen. Die konden niet tegen gevangenschap in een kooitje en zo, zei de tweeling Vet, ze hingen zich dan in de kooi op. Dus de zwaluwen werden door ons met rust gelaten. Zwemmen werd je door de oudere gasten aangeleerd. Niet de schoolslag. Nee. je werd geleerd op zijn hondjes te zwemmen. Met handen en voeten slaan zoals een hondje zwemt. En jawel hoor zo bereikten we de overkant van de kleine kuil en dan moest je nog terug ook omdat de oever te steil was. Intussen duwden die grote gasten je gewoon onder water, zodat je jezelf wel moest redden. Nou na een dergelijke zweminstructie kon je zelfs de Moerdijk (Hollands Diep) overzwemmen.
Even voorbij de grote kuil aan de overkant van de rivier lagen een klein aantal grote villa's. We speelden graag in de grote tuin van de witte villa. Het was er sereen en wat ons ook wel aantrok was het graf dat in die tuin lag. We hadden er de nodige eerbied voor en legden er wel eens een veldboeket bloemen op. Op het graf stond een bordje met als tekst "Hier rust mevrouw Wiegersma - Black" . Zo kwamen we te weten dat het de vrouw van Dr. Wiegersma de oogarts moest zijn, die hier begraven lag. Of hij haar clandestien hier had begraven of daarvoor toestemming had gekregen of ze in een urn het land had binnengesmokkeld, waren onze fantasieën rond de vrouw die hier begraven lag. We hadden het altijd met haar van doen. Doordat we bloemen op het graf legden, kwam Dr. Wiegersma waarschijnlijk aan de weet dat we in zijn tuin speelden en mogelijk vroeg hij aan de buurman om een oogje in het zeil te houden. Nou dat deed die buurman dr. Karthaus. De eerst volgende keer dat we in de tuin speelden, werden we op allerlei fluitend dat ons rond de oren vloog getrakteerd. Er werd met hagel op ons geschoten. We sprongen de rivier in en vluchtten naar de overkant waar we achter een kleine dijkverhoging gingen liggen. Die Karthaus heeft ons wel een uur met scherp onder schot gehouden. Elke keer als we iets omhoog staken, een schoen of een stok, want onze hoofden durfden we niet te laten zien, werd er door hem op ons geschoten. Wij waren wel genezen, een passende doktersterm hier, van het spelen in die tuin.

Bewerking: Ria Veltman d.d. 4 februari 2005