Ongelukken op de hoek Heuvelbrink - Willem Barendszstraat

Vijftig jaren

Heuvelbrink circa 1958 (bron: privecollectie)

In de jaren vijftig was het er nog rustig: er waren nog maar weinig auto's. De bus stopte nog gewoon op de hoek. En samen met een paar vriendjes bedelde ik dan om de resten van buskaartenboekjes, die we in allerlei spelletjes konden gebruiken.
Geleidelijk aan werd het drukker en kwamen ook de eerste ongelukken. Op die manier kwamen wij aan onze nieuwe bakker: Ouwerling op het Nolensplein. De bezorger van Ouwerling kreeg op de hoek een (gelukkig niet al te ernstig) ongeluk. En omdat mijn ouders hem geholpen hadden bezorgde hij de volgende dag een taart bij ons. Toevallig waren mijn ouders op zoek naar een nieuwe bakker. Dus onze keuze was snel gemaakt. Sommige ongelukken veroorzaakten ernstige verwondingen.

Ik herinner me nog een been, dat zo open gesneden was dat je de slagader zag liggen (gelukkig was hij nog heel). Als je nog kind bent, maakt zoiets een behoorlijke indruk!
Het ergst ben ik geschrokken, toen ik toevallig voor het raam zat te spelen. Ik hoorde een enorme klap en toen ik opkeek zag ik een auto op zijn kop voorbijglijden. Twee oudere mensen vlogen door de achterruit naar buiten waarbij ter hoogte van hun buik een wolk glasscherven en een blauwige glibberige massa zichtbaar was. Ik dacht dat dat hun darmen waren! Ik durfde eerst niet te gaan kijken. Van mijn ouders, die wel waren gaan helpen, hoorde ik even later dat de blauwige glibberige massa de eieren en pruimen waren, die ze op de markt gekocht hadden. En dat hun verwondingen wel meevielen.

Niet alle ongevallen liepen goed af.

Bakker Ouwerling op het Nolensplein (bron: JdeRoos)

Helaas liepen héél wat ongelukken niet zo goed af. Een van de grootste tragedies kwam voort uit een botsing tussen twee auto's, waarbij een passerende jonge vrouw op een fiets tussen een door de botsing weggeslingerde auto en een boom beklemd raakte. Ze was vrijwel op slag dood.
Door rondvliegende auto's waren ook de trottoirs rond de hoek levensgevaarlijk. Zo kwam eens een auto tegen de deurpost van de voordeur van de buren tot stilstand. En ik herinner me nog altijd een meisje van een jaar of twaalf. Ze had op het trottoir op een vriendinnetje staan wachten om naar school te gaan, net toen weer eens twee (te) hard rijdende auto's op elkaar botsten. Ze werd door een van de door de botsing weggeslingerde auto's op een haar na gemist.

Ze was helemaal verstijfd en herhaalde voortdurend: "Ik was bijna dood, ik was bijna dood". U zult begrijpen dat het kinderen in die tijd verboden werd in de buurt van die hoek te spelen. Op een gegeven moment was er ongeveer eens per maand een ongeluk.
Op het laatst werd het bijna routine: als je een bonk hoorde, keek je of het iemand was die zijn portier hard dichtsloeg of dat het een ongeluk was. Als het een ongeluk was, ging je vervolgens na of er gewonden te zien of te horen(!) waren. Dan belde je direct het alarmnummer. Als dat niet zo was ging je eerst kijken wat men nodig had. Als er gewonden waren, probeerde je zo goed mogelijk te helpen. Maar vaak kon je niet veel doen. Het wachten op de ambulance duurde dan erg lang.
De grote verandering kwam toen in het kader van de stadsvernieuwing er drempels op de Heuvelbrink gelegd werden. Ineens waren alle ongelukken voorbij! Het duurde nog wel even voordat we daaraan gewend waren:
als je een bonk hoorde keek je gewoon uit reflex de eerste tijd toch uit het raam. Maar elke keer was het alleen maar een autoportier. Een verademing!

Rob Blokland