Oude beroepen

Goede, oude tijd

In de 'goede', oude tijd waren er beroepen die je nu bijna nergens meer tegenkomt. Ik denk aan een melkboer of aan de bakker. Met een handkar, bakfiets of soms met een (pony)paard en wagen gingen zij langs de deuren. "Huis aan huis bezorgen" werd dat genoemd. Bij tij en ontij oftewel bij mooi en bij slecht tot zeer slecht weer gingen de stalen wielbanden over de keien. Zij gingen hun waren "uitventen", zo noemde men dat. Na dat een aantal jaren te hebben gedaan, was je gehard om in het koude weer te kunnen lopen zonder extra dikke jassen, die waren te hinderlijk.


Het begin

Er was er één die juist als het weer koud en nat was, de straat op moest om zijn waren af te leveren bij de mensen. Dat was de olieman. Hij kwam met zijn kar aan de deur om ervoor te zorgen dat het binnen in de andere kamers, waar de kolenkachel niet stond, warm was. Of dat het vlees lekker gaar kon sudderen of de peertjes lekker rood stoven op een één-, twee- of driepits oliestel. Die gaven een heel speciale geur in huis waardoor je de ouderwetse kookkunst kon herkennen.
Zo ook deed een oom van mij dat. Hij had vlak voor of mogelijk vlak na de oorlog, dit is mij niet bekend, een handkar met daarop een tweehonderd liter olievat. Zo'n geel ronde oliedrum waarop met fel rode letters een SHELL wapen was geschilderd. Later kocht hij een pony met wagen waarop twee vaten pasten zodat hij meer kon mee nemen. Bedenk wat een hoop verloren tijd er ging zitten als hij met zijn handkar vanuit het Heuvelkwartier naar de Vuchtstraat moest om zijn kar opnieuw te vullen. Dat ging nu met een pony wel iets sneller, maar ook dat hij meer kon meenemen was een hele vooruitgang.

In 1959 hebben mijn vader en ik de boel van mijn oom overgenomen en ging mijn vader met een bestel auto de baan op. Ik bleef ergens anders werken, er was niet genoeg omzet voor samen te gaan. Het was een Tempo Viking, dat was een auto met een tweetakt Heinkel motor, die pruttelend langs 'sHeren wegen voer. Die konden ook behoorlijk stinken en maakten zoveel lawaai dat je elkaar in de auto niet meer kon verstaan. Hiermee kon hij veel sneller dan mijn oom de klanten langs, maar moest ook meer sjouwen. Toen er later ook oliehaarden in de huizen geplaatst werden moest de olieman een meestel 200 honderd liter vat gaan vullen. Dit ging eerst met bussen van 20 liter, dus ongeveer 17 kilo zwaar. Hij nam er meestal twee tegelijk mee, dan liep hij rechter dan wanneer hij maar één bus meenam. Zo kon hij het ook langer volhouden met die bussen te sjouwen.
Die bussen heetten eigenlijk jerrycans en kwamen overgewaaid uit Duitsland. Vooral in de oorlog waren die ontwikkeld tot handige kannen om extra brandstof mee te nemen op de militaire voertuigen. Later kwamen daar tankwagens voor in de plaats. Dat waren bestelauto's waar op de laadbak een opzettank was vastgeschroefd. Daarin kon meer olie mee. De olieman kon die olie in het vat doen door een slang uit te rollen en dan de olie met een pomp in de tank te spuiten.

Mijn beroep

Hierboven schreef ik al dat ook ik daar mijn brood mee verdiende. Hoewel het in die tijd voor een beginnende olieman meer wind dan brood was, wat hij binnenkreeg. Klagen deed ik niet, ik was vrij en eigen baas, kon ervan rondkomen en zag ook dat mijn omzet jaarlijks stevig verdubbelde. Dus de toekomst zou er goed uitzien. Voor mij hadden we een tankwagen aangeschaft.
Voor die omzet was de ene wijk belangrijker dan de andere. Ik kan je vertellen dat het in het Heuvelkwartier goed toeven was. Het overgrote deel van de dag was ik in die wijk bezig om alle klanten te voorzien van warmte en zij mij van een beetje brood met misschien ook wat beleg op de plank. De huizen in die jaren waren niet erg goed geïsoleerd, dus je had ook een graadmeter of het een goede winter was. Je kon het goed merken als het kouder werd of dat het stormachtig weer was. Er vloog dan meer olie door de schoorsteen en het was sneller nodig om de vaten weer te vullen. Dat was ongeveer een 200 litervat per twee weken bijvullen geblazen. Er ging dan gemiddeld tussen de 110 en de 150 liter in, zodat je wel wist wanneer je moest zorgen bij die of die klant te zijn. Ook als er een baby was geboren, ging de omzet goed omhoog. Dus als een klant in verwachting was, was het over een paar maanden: kassa.



De vroegere olieman met hondekar

Het einde naderbij

Dit is blijven duren tot 1969, toen kwam de regering met aardgas op de proppen en gingen de klanten snel een gaskachel kopen. Minder vies, minder gesjouw en toch ook wel aardig warm. Hoewel velen klaagden dat de warmte niet zo lekker was als die van de kolen- of oliekachels. Gelijk daarmee kwam er een nieuwe wet op het vervoer van gevaarlijke stoffen en de wet schaarde daar ook de oliewagens onder. Ik moest dus gaan uitzien naar een nieuwe tankauto en dat was erg duur. Ach, aan de Spoorstraat was Kolen- en oliehandel Looman en die had een tankwagen staan, die over was. Dus die maar eens bellen. Nou, dat was gelijk raak. Ik kocht geen tankwagen maar Looman kocht mijn hele handel op en ik kon naar een andere baan uitkijken.

Simon Noot
3 september 2009