Mijn jeugd in de Heuvel


Luijken, Ria, meisjesnaam Dillisse, geboren op 28 september 1943.

Een beetje opstandig

Zeven jaar was ik, toen wij in de Dr. Struyckenstraat gingen wonen. Ons gezin bestond uit Pa, Ma, vier broers en vier zusters.
Ik was de oudste van de meiden. Ik zat op de Franciscusschool in de Leuvenaarstraat. Het was een meisjesschool waar les gegeven werd door nonnen. Helaas heb ik niet alle klassen doorlopen en werd ik op mijn tiende levensjaar van school gestuurd. Ik had een te grote mond, dan moest ik een maand lang bij de kleuters gaan zitten met mijn handen over elkaar gevouwen. Vreselijk saai vond ik de strenge godsdienstleer, waar ik wel eens per ongeluk in slaap viel. Dan rustte mijn hoofd op mijn handen en dan gleed ik langzaam weg. De eigenlijke reden dat ik van school af moest, was omdat ik de kap van het hoofd van de nonnen eraf trok.
We waren eigenlijk steeds met zijn drieŽn bij elkaar; Gerda Verhelpe, Tonny Meijer en ik. Als een van ons op de gang stond, dan volgden al snel de andere twee. Op dat moment verlieten we de school en gingen we gezellig in de stad een rondje lopen. Dat ging een paar keer goed, totdat ik mijn moeder tegenkwam, die van de markt afliep richting ons. Ontwijken ging niet meer, ze zag ons. Het gevolg was een pak rammel en onmiddellijk terug naar school.

Ontevreden

Toen ik tien jaar was, ging ik noodgedwongen naar de gemengde school in de Middellaan, waar ook mijn oudste broer op zat. Door een misverstand werd mijn broer Cees onterecht ergens van beschuldigd. Hij kreeg van een leraar met een liniaal slaag op zijn handen en gezicht. Mijn moeder kreeg inmiddels een brief van school. Zij wachtte buiten op Cees en schrok toen hij op haar toe liep. Zijn gezicht was gezwollen en zat vol met striemen. Mijn ma is op hoge poten naar school gegaan om te vertellen dat Cees niet de schuldige was, maar zijn neef Cees die ook op die school zat. Zij maakte duidelijk dat zij er niet van gediend was dat haar kinderen afgetuigd werden door de leraren op school. Dat liep nogal hoog op en na twee weken zag niemand deze leraar nog op school. Vervolgens ging ik naar de huishoudschool in de Dr. Struyckenstraat "Gina Pagis". Deze school maakte ik niet af omdat ik me rotergerde aan de godsdienstleer, die heel belangrijk was. Ik verloor mijn interesse tijdens de les, met het gevolg dat mijn hoofd weer wegzakte op mijn elleboog en mijn ogen vielen dicht. Ik sliep dan de hele les. Twee jaar heb ik het volgehouden.

Ik vond naailes heel erg leuk. Daar heb ik altijd profijt van gehad. Mijn moeder werkte in een stomerij. Als er iets hersteld of versteld moest worden aan de gewassen kleding, werd deze naar mij doorgestuurd. Thuis had ik een naaimachine waar ik de kleding herstelde. Ook werkte ik in de huishouding, vlakbij in de Oosterstraat. Het was toen heel normaal dat de meisjes uit die tijd bij grote gezinnen gingen werken, na de huishoudschool. Vreselijk was mijn eerste dag. Ik werd naar boven gestuurd om alle pispotten schoon te maken. Ik kreeg per week een loon van vijftien gulden. Na een half jaar was er gelukkig plaats bij de Kwattafabriek. Daar had ik het best naar mijn zin. Na een aantal jaren ging ik werken op het Nolensplein bij slagerij Van Brunschot.

Peren en appels

Mijn kindertijd verliep heel gezellig. Er waren veel kinderen in de straat en in de buurt. Naast het normale kattenkwaad zoals belletjetrekken en steeds verder weg uit de buurt spelen, hadden wij een mooie fruittuin ontdekt. Deze tuin was van de heer Moesem. Er groeiden grote stoofperen en grote rode appels. Wij hadden stiekem een gat in de heg gemaakt, waar we doorheen kropen. De twee grote honden van meneer Moesem gingen tekeer maar waren gelukkig vastgelijnd. Ik kroop de boom in en gooide het fruit naar mijn vrienden die het netjes opvingen. Op een dag werden we betrapt en meneer Moesem maakte de honden los en liep zelf met een zweep in zijn handen de kinderen achterna. Mijn vrienden renden de tuin uit en ik bleef in de boom hangen. Het duurde lang voordat ik veilig uit de boom kon komen. We zijn er niet meer teruggekeerd.

De watersnood

Ik herinner me nog heel goed de stormramp van 1953. Half Nederland stond onder water. Het kwam net niet in Breda, maar de storm had ook hier in de Heuvel zijn sporen nagelaten. De noodschool werd helemaal platgewaaid. Er was een dode leerling en velen waren zwaargewond. De gedupeerde families vonden troost bij elkaar en op deze momenten voelde je de eenheid van de buurt onderling.

Toen ik achttien jaar was, nam mijn zus me mee naar Zevenbergen op visite bij haar vriend. Ik ontmoette daar zijn broer, waar ik nog steeds mee getrouwd ben. Henk Luijken en ik gingen inwonen bij mijn Oma in de Hudsonstraat. Oma was in afwachting op een groot huis in Geeren Noord. Als we samen bleven met Oma dan zouden we die grote woning toegewezen krijgen. Oma werd helaas in het Lucia opgenomen. We dreigden op straat te komen staan met ons eerste kind wat we inmiddels hadden. Na een spannende afwachtende en moeilijke tijd, werd de woning toch aan ons toegewezen. We woonden drie jaar in de Geeren. Ik bleef ingeschreven staan voor een huis in de Heuvel. Mijn heimwee overmande me, en we verhuisden terug naar de Montessorisstraat. Deze flat werd ons te klein, nadat we het derde kind kregen en we verhuisden naar een ruimere woning in het Thorbeckeplein, waar ik nog steeds met plezier woon, al zesendertig jaar.

Interview: Janet van Heerden, maart 2008